Onderzoek vergelijkt Nederlandse excretieberekeningen voor melkvee met die van Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen
Het verlies van mestplaatsingsruimte door diverse overheidsmaatregelen leidt tot hoge mestafzetkosten voor melkveehouders. ZuivelNL heeft daarom Wageningen University & Research onderzoek laten doen naar de manier waarop de netto stikstofexcretie van melkvee wordt berekend in Nederland, Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen. Aan de hand hiervan kan bekeken worden of deze vergelijking aanknopingspunten biedt om meer plaatsingsruimte te creëren. De rapportage is nu afgerond.
De onderzoekers concluderen in het rapport 'Stikstofexcretie melkvee - Een vergelijking van de excretieberekeningen in Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen ten opzichte van Nederland' dat de forfaitaire rekensystematieken weinig van elkaar afwijken. Het onderliggende systeem is gelijk: een balansmethode waarbij de bruto excretie wordt berekend als opname min vastlegging. Verschillen ontstaan door de uitgangspunten in rekenregels en door verschillen in rantsoensamenstelling (hoeveelheid maïs/gras) in combinatie met productieniveaus.
Bekijk het rapportUitgangspunten rekenregels
Wel verschillen de uitgangspunten, zoals de DVE-dekking, het percentage gasvormige verliezen en de voederverliezen:
- Nederland rekent met gasvormige verliezen van 14%, Noordwest-Frankrijk met 30%. Vlaanderen past, afhankelijk van de mate van weidegang, gasvormige verliezen van 0 tot 20% toe.
- Nederland past een VEM-dekking toe van 102%, Vlaanderen van 105%. In Frankrijk wordt het rantsoen berekend met INRAtion (het Franse koemodel).
- Nederland gaat uit van voederverliezen van 5% voor ruwvoer en 2% voor krachtvoer en bijproducten. Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen nemen deze verliezen niet mee in de berekening. Aangenomen wordt dat deze voederverliezen in de mest terechtkomen en daarmee de excretie verhogen. De auteurs wijzen erop dat er geen onderbouwing is voor deze voederverliezen op basis van onderzoek. De getallen zijn gebaseerd op gegevens uit de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN).
- Vlaanderen berekent de excretie met een fictief rantsoen, dat sterk afwijkt van het rantsoen dat in de Nederlandse systematiek wordt vastgesteld op basis van CBS en BIN gegevens. Verschillen in stikstofopname tussen Vlaanderen en Nederland resulteren (bij een gelijke stikstof vastlegging in melk en groei) daarom ook in verschillen in stikstofexcretie.
Relatie forfait met melkureum
Noordwest-Frankrijk kent relatief weinig melkproductieklassen voor de vastlegging van stikstof in melkproductie. Verder corrigeren de Franse en Vlaamse systematiek de stikstofexcretie niet voor het ureumgehalte van de melk. Daardoor zouden bedrijven met een hoog ureumgetal voordeel hebben bij de Franse of Vlaamse systematiek, terwijl bedrijven met een laag ureumgetal voordeel hebben bij de Nederlandse systematiek.
Toepassing op het individuele bedrijf
De rekensystematiek in de 3 gebieden is dus in de basis gelijk. De uitgangspunten verschillen echter, waardoor de berekende excreties toch uiteenlopen. Welk effect dit heeft, hangt mede af van het ureumgetal van een bedrijf. Over het algemeen zouden Nederlandse melkveehouders slechter af zijn met de rekensystematiek van Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen. Dit geldt voor bedrijven met een ureumgetal lager dan 22. In Nederland is het gemiddelde ureumgetal de laatste jaren gedaald tot 19,5 in 2025 (zie onderstaand figuur).
Bron: Qlip-blog, 3 februari 2026
Op bedrijfsniveau kan dit een substantieel verschil maken. Een bedrijf met een productie van meer dan 9.000 kg melk per koe krijgt in Noordwest-Frankrijk en Vlaanderen een excretieforfait voor stikstof van 123. Bij een ureumgetal lager dan 22 zouden dergelijke bedrijven in Nederland met de Franse of Vlaamse systematiek een nadeel hebben.
Bij een ureumgetal van bijvoorbeeld 17 krijgt zo'n bedrijf in Nederland een forfait van 115. Voor een bedrijf met 100 melkkoeien levert dit een verschil in berekende excretie op van ((123-115) x 100 =) 800 kg stikstof. Uitgaande van ongeveer 4 kg stikstof per kuub mest levert dat bij mestafzetkosten van € 35 per kuub een verschil op van ongeveer € 7.000 per jaar.
Opvolging
De leden van ZuivelNL kunnen de inzichten uit het onderzoek gebruiken in de gesprekken die zij aan de verschillende tafels voeren. ZuivelNL zet daarnaast in op vervolgonderzoek naar de voederverliezen. Deze verliezen zijn niet goed onderbouwd en worden in Nederland relatief hoog ingeschat in vergelijking met Frankrijk en België. Daarvoor is contact gelegd met relevante partijen om na te gaan hoe dit vervolgonderzoek concreet kan worden ingevuld.
Meer nieuwsberichten
Diergezondheid & Dierenwelzijn
08 oktober 2026
MediRund wordt vernieuwd in 2026 - dit is wat u moet weten
Het instrument MediRund, van ZuivelNL, is de aangewezen databank voor de registratie van antibiotica-levering aan...
Lees het volledige berichtZuivelNL
Vacature
26 september 2026
Vacature: Directeur
Als Directeur geef je, samen met bestuur en leden, richting aan de koers en positionering...
Lees het volledige berichtZuivelNL
Vacature
07 september 2026
Vacature: Programmamanager Biodiversiteit & Klimaat
Als Programmamanager Biodiversiteit & Klimaat bij ZuivelNL ben je de cruciale schakel tussen ZuivelNL en...
Lees het volledige bericht